De boel ging op de schop. Ons magnifieke uitzicht, dat welig tierende weiland werd door bulldozers en hapkarren platgewalst en bewerkt. Er was zelfs nog even sprake van dat er een weg aangelegd zou worden. Kun je je voorstellen? Een weg tussen Molenkade en Munnikenweg, dwars door de Oudorperhout idylle met zijn woeste graspluimen, broedende eenden, strijkmolens en jagende reigers. Er werd zo hevig protest aangetekend dat dit absurde plan van de baan werd geschoven.
Plan B werd uit de kast getrokken. Er zou een park komen. De puberale grillen van het onbesuisde weiland zou daarmee aan banden worden gelegd. Met argusogen bekeken we het hele gebeuren. Argusoogjes wat mij betreft want veel ouder dan een jaar of zes was ik niet.
Toen de grote operatie eenmaal in volle gang was, stapte ik regelmatig met mijn rode, rubberen laarsjes door de grote hopen omgeploegde aarde. Gefascineerd als ik was door dat wat er gebeurde met onze woonomgeving, het uitzicht vanuit mijn slaapkamerraam. Sloten werden verbreed, paden aangelegd en grote, houten bruggen geslagen. Ik struinde wat af, en niet zonder resultaat. Uit al die hopen omgewroet weiland toverde ik regelrechte schatten naar boven. Het was echt onvoorstelbaar wat ik uit de klei omhoog trok. Een scala aan aardenwerkscherven met geglazuurde patronen, kan en kruik en een hele serie botjes. Ik vond meerdere kaakdelen, recht en in gekromde vorm, waar de bruin uitgeslagen tanden in heen en weer rammelden zodra ik het kaakbeen bewoog. Allemaal resten van het kasteelleven uit de 13e eeuw.
Vandaag de dag kan ik er met verbijstering aan terugdenken. Hoe was het toch mogelijk dat ik daar, als mini kaaskop, onbedaarlijk mocht lopen wroeten. Dat ik bovendien al die eeuwenoude attributen met archeologische waarde in mijn hol mocht slepen, mee naar huis. Want ja, dat deed ik natuurlijk. In mijn slaapkamer beleefde ik zo mijn eigen archeologische hoogtepuntjes. Ik stalde de kaakdelen trots uit op een houten plateau, de kruikjes op mijn vensterbank en bewaarde de scherven in een grote, glazen pot. Af en toe kieperde ik de boel eruit en puzzelde wat in het rond met de scherven.
Ergens, in de tijd die volgde, raakt de magie er voor mij een beetje vanaf. Mijn archeologische geboeidheid was kennelijk over zijn hoogtepunt heen.
Daarbij vond mijn moeder dat al die kaken en botten maar lastig vielen af te stoffen. En zo werd op een dag, in een vlaag van schoonmaakwoede het hele boeltje zonder pardon door haar in de pedaalemmer gekieperd.
Daar gingen ze dan, die essentiële levensonderdelen van Floris de vijfde.
Mijn prille archeologische loopbaan kwam daarmee bruut ten einde.
Twee weken terug viel ‘Erfgoed magazine Alkmaar’ weer op de deurmat van ons monumentale huisje aan de Nieuwpoortslaan. Al bladerend sta ik ineens oog in oog met de stadsarcheologe . Ze houdt een stenen blok in de lucht en de trots spat van haar gezicht af. Het is, zo staat eronder, een stukje van kasteel Nieuwburg uit de Oudorperhout. Ze mocht het maar heel even vasthouden want het wordt zorgvuldig, achter slot en grendel bewaard in het archief.
Ik snap het wel, van dat archief met die sloten en grendels. Zo houd je in ieder geval je afstoffende moeder met schoonmaakdrift buiten de deur. Voor je het weet kiepert ze het hele boeltje zo in de dichtstbijzijnde kliko. Dat wil je écht niet, als stadsarcheologe.
Micha de Groot











