Tijdens mijn studietijd in Amsterdam nam ik regelmatig de trein van en naar Alkmaar. Overvolle coupés, zelfs overvolle halletjes bij de deuren, geen mogelijkheid om te zitten, regelmatig vertraging; enfin, je herkent dit vast wel. Sinds wij twee auto’s voor de deur hebben kom ik niet veel meer in de trein, eigenlijk alleen als ik in het centrum van Utrecht of Amsterdam moet zijn. Dan is het wel handig, en voor de prijs van een Amsterdamse parkeergarage kan je twee keer met de trein heen en weer.
Een poos geleden gingen we met vrienden met de Thalys naar Parijs. Ik moet eerlijk bekennen dat ik op de heenreis aangenaam verrast was. De trein gaat supersnel, je hebt geen last van eindeloos wachten op vliegvelden, je komt aan in het centrum van de stad en je zit heel comfortabel op gereserveerde plaatsen, met tafeltje en al.
Ik kwam tot bekering over reizen met de trein. Tot aan de terugreis.
Naast mijn gereserveerde plaats zat een hele vriendelijke Franse dame, met een derrière die ruim breed genoeg was voor twee stoelen. Die had ze niet geboekt helaas, zodat ik me met moeite in mijn stoel moest persen en ik de hele reis tegen haar wulpse lijf aangedrukt zat. Ik probeerde de armsteun omlaag te doen, maar die was helaas niet meer te vinden tussen de plooien. De Thalys kon me die dag niet snel genoeg gaan, maar gelukkig stapte de aardige, omvangrijke dame in Antwerpen uit en kon ik weer ademhalen.
Onze jongste dochter werkt sinds kort als landelijk verkeersleider bij ProRail, een boeiende baan waarover ze mooie verhalen kan vertellen. Het gaat in ons gezin sindsdien wat vaker over treinen. Zo dook onlangs ook weer het verhaal op over de eerste keer dat onze tienerzoon in zijn eentje met de trein naar Amsterdam ging.
Na een kaartje te hebben gekocht bij de automaat op station Alkmaar Noord stapte Wouter een tikkeltje nerveus en onwennig in de trein en installeerde zich op een comfortabele stoel. Bang om zijn eindstation te missen liep hij bij iedere stop even naar de deur om te kijken op welk station hij nu was.
Even na Uitgeest kwam de conducteur de kaartjes controleren. De koptelefoon ging af en Wouter overhandigde zijn kaartje. “Je zit in de eerste klas”, zei de conducteur streng. “Nee hoor”, zei Wout met overtuiging, “ik zit in de derde. Op het Van der Meij College”.
Net als de andere reizigers moest de conducteur grinniken om dit antwoord. Met veel geduld legde hij uit dat een trein een eerste en een tweede klasse heeft en dat Wouter in de verkeerde coupé zat. Maar het was rustig in de trein, dus hij liet het erbij.
“Mag ik nog wel even je kortingspas zien?”, vroeg de conducteur. Een kortingspas, die had Wouter niet. Maar hij had wel een kaartje met korting gekocht. “Ja, de automaat vroeg of ik een normaal kaartje wilde, of één met korting. Nou, dat wilde ik wel…”
De vriendelijke conducteur zag af van verdere maatregelen en drukte de inmiddels heftig blozende jongen op het hart om het de volgende keer volgens de regels te doen. En dat heeft hij nog veel gedaan, in zijn studietijd. Met routine, en met een mooi verhaal.
Klaas Kirpensteijn











