Het voelt alsof we langzaam afstevenen op een einde. En waar het ene boek dichtvalt, opent zich misschien een ander. Maar de sprookjesboeken van tegenwoordig eindigen niet meer vanzelfsprekend met “en ze leefden nog lang en gelukkig”. Die tijd ligt achter ons. De realiteit van alledag is te dwingend, te grimmig soms. Wie nog durft te geloven in sprookjes, draagt oogkleppen van het ouderwetse soort.
Wie zijn ogen opent, ziet dat plannen in duigen vallen. Niet alleen landelijk, waar het kabinet struikelde, maar ook lokaal. Neem de Senioren Partij Alkmaar: modder gooien, verwijten over en weer. Een wethouder wordt beticht van intimidatie en financieel wangedrag. Onbehoorlijk bestuur, volgens een hoogleraar. Vertrouwen brokkelt af, net als geloofwaardigheid. Niet alleen in Den Haag, ook bij ons om de hoek.
Wat volgt is voorspelbaar. Partijleden stappen eruit, gaan zelfstandig verder. Geen sprake van zetelroof, zeggen ze. Maar wie wind zaait, oogst storm. En de burger? Die blijft achter met scepsis. Gaat straks nog minder snel naar de stembus. De oogst wordt schraal. Naast raaskallen lijkt men zich ook te abonneren op aanrommelen. Werken in de marge, noemen ze het. Je kunt het ook gewoon stuurloos noemen.
Wat mensen drijft om de politiek in te gaan? Ik weet het niet. Idealisten misschien. Mensen met een groot rechtvaardigheidsgevoel, een warm hart voor wie niet gehoord wordt. Dat zou mooi zijn. Maar steeds vaker lijkt het op het tegendeel. Marten Toonder schreef ooit: “Het is vreselijk wanneer men een dwerg voor een reus aanziet.” En soms lijkt het alsof de politiek bevolkt wordt door precies dat soort vergissingen.










