Een paar columns geleden, heb ik hier al eens geschreven dat ik nooit iemand oma of tante noem, die dat helemaal niet is van mij. In de familiaire sfeer bedoel ik dat dan. Zo’n titel gaat wat bij betreft alleen maar over familie en is niet overdraagbaar aan een bekende. Vroeger vond men het kennelijk makkelijk om iemand die veel over de vloer kwam oom, tante of oma te noemen in plaats van Mevrouw Jansen of “de mama van Edwin vraagt hij bij mij mag spelen”. Ik snap dat dit ingewikkelde termen zijn voor een titel, maar ik weigerde het om zomaar iemand oom of tante te noemen. Dat kwam ook omdat mijn moeder haar zus ook in ene tante Riet noemde, of mijn vader papa en dat klopt natuurlijk ook niet. Want voor mijn moeder is tante Riet gewoon Riet. Ik vond dat allemaal maar vreemd en wenste ook niet mee te werken aan die niet verdiende titels.
Tante Nel echter, was de uitzondering op deze regel. Tante Nel was geen echte tante, maar was desondanks Tante Nel en niemand had daar problemen mee, ik ook niet. Dat gold tevens voor haar man; dat was Ome Piet. Mijn vader en moeder noemden hen ook ome Piet en tante Nel en dat vond ik dan weer vreemd, maar gezien het feit dat het toch om een uitzonderingspositie ging, nam ik dat maar voor lief. Tante Nel en Ome Piet waren vrienden van mijn ouders en woonden in dezelfde straat als wijzelf. Zij vormden een zeer belangrijke schakel in ons leven. Ze stonden eigenlijk altijd voor ons klaar. Ome Piet heeft ons hele huis verbouwd en al die verbouwingen leken wel uit het kleine houten kistje op zijn bagagedrager te komen. Ome Piet was een markante verschijning met zijn blauwe overal, blauwe boeren alpinopet en zoals gezegd fiets met houten kistje. Ome Piet had ook een volkstuintje en als er geen gereedschap in zijn houten kistje zat; zaten er stronken boerenkool in. (wel pas als er vorst overheen was gekomen). Ome Piet is een paar jaar geleden overleden en tante Nel overleed vorige week op 97 jarige leeftijd. Afgelopen week hebben we haar begraven.
Toen ik in de kerk zat ter nagedachtenis van tante Nel ging mijn hele jeugd aan mij voorbij. Ik zag mijn buurjongens van toen weer en ik voelde mij weer even 14 jaar oud. We speelden blikkietrap en we flipten in bij AZ. Maar dit verhaal gaat over tante Nel, dit verhaal is zowel een tocht langs ‘memory lane’ als een eerbetoon aan haar. Mijn moeder kampte wat met gezondheidsproblemen en als het gezin steun nodig had; dan was daar altijd tante Nel. Tante Nel was 150 cm groot, maar taai als leer. Ze gaf nooit op. Elke donderdag hielp ze ons in de huishouding. Tante Nel was ook de baas met haar 1 meter 50 en iedereen vond dat de normaalste zaak van de wereld. ook mijn moeder. Op donderdagochtend bepaalde tante Nel het ritme van de dag. En die was voor ons kinderen niet altijd makkelijk. Want als wij nog lekker in bed lagen, begon zij juist met de bedden. En of wij er nou in lagen of niet; het beddengoed ging naar buiten. Niemand protesteerde; tante Nel was de baas.
Beneden was het al niet veel beter. Wij hadden van die ouderwetse stoelen, waar je de zitting uit kon halen; alle zittingen van alle stoelen lagen buiten te wachten op de mattenklopper. Dus we konden ook nergens zitten. Als je ontbijt wilden eten op een stoel moest dat gebeuren voordat tante Nel kwam, anders was staand ontbijten je lot. Donderdag was vaak de enige dag in de week dat we op tijd op school waren. Maar het mooiste was nog dat niemand protesteerde, we accepteerden het als een feit. Als we het niet accepteerden, had Tante Nel daar overigens geen enkele boodschap aan. Maar ook als mijn moeder in het ziekenhuis lag, was daar Tante Nel, altijd klaar met een broodje of een kop thee.
Mijn zus zat ooit eens achter mij aan, waarom weet ik niet, maar ik vermoed dat ze boos op me was, terwijl ik me daar niets bij voor kan stellen. Ik hield met mijn voet de deur op slot en dientengevolge donderde ze zo door het raam. Alles onder het bloed en niemand thuis. Tante Nel gebeld, heeft alles verbonden en opgeruimd; gaf ons natuurlijk ook een standje, maar verraadde ons niet aan onze ouders. Ook haar kinderen speelden een grote rol. Wij zaten op de Mavo en zij deden stuk voor stuk Gymnasium (zij wel). Als wij niet uit onze wiskunde vraagstukken kwamen; hielpen zij een handje. Nog steeds als ik ze tegen kom; denk ik; heb ik niet een prangende vraag? Bovendien waren ze alle drie werkzaam bij mijn vader op de melkwagen.
En nu is tante Nel dood en ik vraag mij af of ik haar ooit bedankt heb voor de onvoorwaardelijke steun aan ons gezin. Ik denk het niet. Het was vanzelfsprekend dat ze er was en dan vergeet je vaak te bedanken. In haar rotsvaste vertrouwen in het hiernamaals, weet ik zeker dat zij dit stukje mee krijgt en maak ik hier graag gebruik van om haar alsnog te bedanken. Rust zacht tante Nel en
bedankt voor alles.
Peter Visser











