Daar zat hij dan, mijn broertje, op de knie van een agent. Voor hen op tafel een Donald Duckje waar ze samen doorheen bladerden. Het tafereel had iets gemoedelijks. Mijn broertje was duidelijk op zijn gemak.
In het gedruis van een overvol centrum waren mam en ik even daarvoor de driejarige Niels kwijtgeraakt. Na een paniekerige zoekactie togen we op een drafje naar het politiebureau. Een goede keuze, zo bleek. Mijn broertje was terecht.
Het bureau lag middenin het centrum van Alkmaar, tegenover de Grote Kerk aan het Kerkplein. Een statig oud pand met trapgevel, waar ik in mijn hele jeugd uiteindelijk maar twee keer ben binnen gedraafd.
Beide keren in paniek.
De tweede keer was zo’n tien jaar later. Samen met mijn lief Frank en een paar vrienden waren we ‘s avonds uit in een dancing vlakbij het Victoriepark aan de Wortelsteeg. De Reflex. Dacht ik voor die tijd nog dat je het vast had uitgelokt wanneer je in elkaar werd getimmerd, na die avond wist ik dat sommige mensen het gewoon lekker vinden om iemand een dreun te verkopen. Ook als daar geen enkele aanleiding voor is. Nadat Frank in een split second door een opgewonden standje uit het niets van een kopstoot en kaakslag was voorzien, maakten wij ons linea recta uit de voeten. Van schrik wilde de fiets van Frank niet van het slot en terwijl wij hevig zenuwachtig bij het schijnsel van een lantaarnpaal aan het slot stonden te morrelen werden we plotsklaps omsingeld door een clan testosteron stierennekken die ons naar buiten was gevolgd. Wat ik toen deed daar ben ik stiekem nog altijd een beetje trots op. Met rechte rug zette ik mijn aller kwaadste gezicht op, ging met mijn zeventienjarige armen en benen wijd voor Frank staan en brulde de vechtersbazen keihard toe BLIJF VAN HEM AF!! Hoe mijn actie zou zijn uitgepakt zal ik nooit weten. Erik, een van de vrienden met wie wij op pad waren zette het ineens keihard op een lopen. Dat was het startsein voor de clan om de achtervolging in te zetten. ‘Kom, we gaan zo snel mogelijk naar het politiebureau om aangifte te doen’ riep Monique zenuwachtig. En zo vielen we midden in de nacht hysterisch hijgend het bureau binnen. Hier waren we veilig. Erik zat er al toen wij arriveerden. Gelukkig was hij het groepje vechters te snel af geweest.
Na de aangifte en een beetje bijkomen boven een bekertje water gingen we door naar de EHBO van het ziekenhuis. Daar kon je toentertijd nog zo lekker rekaxed zonder ommezwaai en doorverwijzingen terecht. Frank had een opgezwollen, gescheurde lip en met zijn linkeroog kon hij ondertussen nauwelijks nog kijken door de zwelling. Alles zag bont en blauw.
In mijn zusterflatje van 3 bij 2, naast het Elizabeth ziekenhuis aan de Emmalaan lagen we die nacht dicht tegen elkaar aan in mijn eenpersoonsbed terwijl ik met ijsblokjes gevulde washandjes zacht tegen zijn gehavende gezicht drukte. Mijn verpleegkundige inborst was ondanks de commotie best in haar nopjes.
Het politiebureau. Ik heb er weinig, maar alleen maar goede herinneringen aan.
Eeuwig zonde vond ik het toen het in 1988 vanaf die prominente plek in het centrum naar een wanstaltig stukje Overstad verhuisde buiten het centrum. Een baken van veiligheid wil je toch het liefst dicht bij de mensen?!
Het voordeel is wel dat ik nu een stuk frequenter en zonder paniek de deuren doorga van dit prachtige pand tegenover de Grote kerk. Stadskaffee Laurens heeft zich er ondertussen alweer heel wat jaren gesetteld en wanneer ik er binnen loop ga ik altijd even terug in de tijd. De noeste trap met zijn indrukwekkend gewelf is in ere gehouden en vertrouwde vierkante gele tegeltjes sieren nog altijd delen van de vloer.
Vers horeca bloed in een oud politie jasje. Je begrijpt dat ik mij nergens veiliger voel als daar, wanneer ik er mijn chai latte drink.
Micha de Groot











